Gezondheid Algemeen

 

 


Ogen
Moeten monter en helder zijn, niet tranen, geen roodheid vertonen of gevoelig zijn.

De hond mag niet terugschrikken voor licht alsof het pijn doet aan de ogen.

Neus
Geen korsten, geen loopneus of bloedingen - het hoeft niet warm of koud te zijn! Neuzen kunnen van zwart naar roze kleuren en weer terug - dit kan variëren gedurende het jaar.

Tanden en adem
Slechte adem kan onder meer wijzen op een maagstoornis of slechte tanden. Tanden moeten wit zijn zonder overmatig tandplak of tandsteen - dit ziet er troebel en bruin uit. Het tandvlees is roze, niet rood of gezwollen.

Oren
Dienen schoon te zijn en geen troebel bruin (of groen!) oorsmeer te bevatten. Oren mogen niet stinken. Wees voorzichtig met wat u gebruikt om de oren schoon te maken - de huid is daar erg gevoelig.

 
Dorst
Als de dorst gedurende langere tijd is toegenomen en dit niet verklaard kan worden door warm weer of grote inspanning, is dit een reden om de dierenarts te bezoeken.

Lichaamsconditie
U moet in staat zijn de ribben en de wervellichamen boven de rug en kruis goed te voelen. Verder moet er een ‘taille’ zijn tussen de ribben en de heupen en mag de buik niet hangen.

Spijsvertering
Is de eetlust normaal? Dat is moeilijk te zeggen als de hond nieuw is voor u. Er mag zich geen misselijkheid of verslikken voordoen tijdens het eten. De ontlasting moet normaal van kleur zijn en mag geen slijm (heldere dril) bevatten. Diarree en verstopping zijn uiteraard ongewenst.

Nagels
Moeten gelijkmatig zijn en kunnen wit of zwart zijn. Nagels die ruw zijn, te lang of makkelijk breken, hebben verzorging nodig. Let bij controle van de nagels op de wolfsklauwen die zich aan de binnenkant van de voorpoot  net onder het gewricht bevinden .

Huid en vacht
Moet vrij zijn van schilferachtige roos of wondjes. De huid kan roze of zwart zijn, afhankelijk van het pigment in de huid van uw hond. De vacht moet dik en glanzend zijn zonder gebroken haren.

Houding
De houding die uw hond aanneemt, kan u in het algemeen een hoop vertellen. Een hond die zich niet lekker voelt zal zijn kop laten hangen, vaak ook met zijn staart naar beneden, zal zich verschuilen in hoeken of zal zelfs een gat in de tuin graven om daar in te gaan liggen. Als u zich bezorgd maakt, laat dan uw hond nakijken of vraag advies aan uw dierenarts.

 

 

 

 

 

 

 

 

Heupdysplasie (HD)

HD is een afwijking aan de heupgewrichten waarbij de ontwikkeling van de heupen bij de jonge, opgroeiende hond niet normaal verloopt en de gewrichten ernstig misvormd kunnen worden.

HD wordt veroorzaakt door een combinatie van erfelijke en uitwendige factoren. Door uitwendige invloeden zoals groeisnelheid, lichaamsgewicht, beweging, spierontwikkeling en voeding kan de eventuele mate van misvorming van de heupen bij honden met een gelijke erfelijke aanleg sterk variëren. Daarom moet getracht worden het ontstaan van HD zoveel mogelijk te voorkomen. Dat kan door:

1)goede voeding, maar vooral niet teveel

2)overmatige belasting van de heupgewrichten voorkomen - beperken van springen, trap lopen en trekken

3)controle van de voor de fokkerij bestemde honden.

Veranderingen aan de heupgewrichten kunnen beoordeeld worden op röntgenfoto's. De ernst van de misvormingen is echter geen goede maat voor de ernst van de klachten. Bij honden met zeer ernstige klachten worden soms maar weinig afwijkingen op de röntgenfoto's gevonden, terwijl honden met ernstig misvormde heupen soms verbazend weinig problemen vertonen. Veel honden met HD hebben daarvan geen last en zullen dat ook nooit krijgen. De kans op problemen blijft echter bestaan en zal toenemen naarmate meer van de hond geëist wordt (zoals bijvoorbeeld bij behendigheid) en naarmate de hond ouder wordt.

 

 

 

 

 

Er bestaan verschillende gradaties in de beoordeling:

HD-A = HD- = negatief. De hond is röntgenologisch vrij van heupdysplasie, wat echter niet betekent dat de hond geen "drager" van de afwijking kan zijn.

HD-B = HDTc = overgangsvorm. Op de röntgenfoto's zijn geringe veranderingen gevonden, waaraan in het kader van de fokkerij geen directe betekenis kan worden toegekend.

HD-C = HD +/- = licht positief. Bij de hond zijn duidelijke veranderingen gevonden, passend in het ziektebeeld van HD.

HD-D = HD+ = positief. Bij de hond zijn duidelijke veranderingen gevonden, passend in het ziektebeeld van HD.

HD-E = HD++ = positief in optima forma. De heupgewrichten zijn ernstig misvormd.

 

Elke fokker die zijn/haar honden laat controleren op HD beschikt over de officiële certificaten van de HD-commissie waaruit blijkt hoe de toestand van de heupen van de desbetreffende dieren is. Deze uitslagen worden niet vermeld op de stambomen van de honden zelf, maar wel op de stambomen van hun nakomelingen.
PRA = Progressieve Retina Atrofie

 

Het PRA probleem

PRA is een erfelijke oogafwijking en heeft tot gevolg dat de hond blind wordt. Hiervoor bestaan op dit moment nog geen medicijnen of behandeling.

PRA komt bij verschillende hondenrassen voor maar is nu ook bij een zeer klein aantal Saarloos wolfhonden gevonden. Het komt voor bij zowel jonge als oudere honden.

PRA komt naar voren als beide ouders ”drager” zijn.

Een “drager” is een hond die het PRA gen bij zich heeft, maar er zelf geen last van krijgt.

Een “lijder” is een hond waar de ziekte zich openbaart.

Om te weten of de hond lijdt aan deze “ziekte” kunt u twee dingen doen:

1. De hond laten spiegelen

Spiegelen: een specialist kan de ogen van de hond controleren. Alleen als de hond al last heeft van deze ziekte kan dit geconstateerd worden. Dus als de hond “drager” is kan men het niet via spiegelen ontdekken.

2. DNA test

DNA test: Hierbij wordt het bloed van de hond onderzocht en wordt het gen bekeken waaraan men kan zien of de hond PRA bij zich draagt!

Via de DNA test is het dus wel te achterhalen of de hond drager is of niet. Als men met een hond fokt die “drager” is kan deze erfelijke afwijking doorgegeven worden.

Echter dit kan nog wel even op zich laten wachten omdat eerst het gen gevonden moet worden.

Zodra het gen is gevonden kunnen de fokkers door gericht fokken deze vervelende ziekte uit het ras fokken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Progressieve Retina Atrofie wordt onderverdeeld volgens de plaats waar de aandoening eerst begint. Zo wordt een onderscheid gemaakt tussen gegeneraliseerde PRA (gPRA) en centrale PRA (cPRA). Voor deze laatste vorm gebruikt men tegenwoordig de term retinaal pigment epitheel dystrofie (RPED). Een verdere indeling kan gebeuren volgens de leeftijd bij het optreden van afwijkingen (retina dysplasie en retina degeneratie)

Gegeneraliseerde PRA, afgekort als gPRA, komt steeds voor aan beide ogen, en ongeveer even uitgebreid aan beide ogen. Het dier begint bij verminderd licht minder goed te zien (nachtblindheid) uiteindelijk komt er ook dagblindheid bij.

 

Met een speciaal toestel (een oftalmoscoop) wordt het netvlies bekeken. Bij gPRA worden de bloedvaten van het netvlies dunner. De pupillen staan in een gevorderd stadium wijder open. Soms heeft de eigenaar al gezien dat de ogen van de hond meer oplichten en dat een geel-groene of rode gloed zichtbaar is.
In het eindstadium van gPRA zijn alle bloedvaten practisch verdwenen. Het zichtbare gedeelte van de oogzenuw in het oog is veel kleiner en bleker geworden (atrofie van de optic disc).

Bij de aangetaste Saarloos wolfhond zien we duidelijk een oplichten van het netvlies (goudkleurige gloed).Wde indruk bestaat dat het proces van het dunner worden van de retinale bloedvaten trager verloopt in vergelijking met een aantal andere rassen met gPRA.

 

De aandoening is niet pijnlijk voor de hond. De mogelijkheid bestaat dat er nog een secundair cataract zou kunnen optreden. Dit is tot hiertoe nog niet waargenomen bij de Saarloos.

PRA moeten we onderscheiden van andere aandoeningen, vb. ontsteking van het netvlies.

Door aandachtig het oog te onderzoeken kan meestal het verschil gemaakt worden.

 

Om een goed onderzoek van het oog, en vooral van het netvlies te kunnen uitvoeren, is het nodig om de pupillen te verwijden met bepaalde druppels. Dan verkleinen de pupillen niet meer onder invloed van het licht.
Bij sommige rassen is al gevonden op welke plaats in het erfelijk materiaal er een verandering is opgetreden (mutatie), o.a. bij de Ierse Setter. Voor dit ras bestaat er al een commerciële test.

Zo kan al vroeg gevonden worden welke dieren vrij zijn, welke de ziekte gaan krijgen en welke drager zijn.

Voor de meeste rassen is de verandering in het erfelijk materiaal nog niet gevonden. Dit geldt ook voor de Saarloos Wolfhond, ook bij dit ras is tot op heden de mutatie nog niet gevonden.

Uit onderzoeken uitgevoerd aan de Ruhr-Universiteit in Bochum, Duitsland blijkt dat gPRA bij de Saarloos wolfhond niet te wijten is aan een mutatie in het PDE6A gen, in tegenstelling met de Cardigan Welsh Corgi. Ongeveer 18 mogelijke kandidaat-genen werden tot op heden reeds getest, maar jammer genoeg is het juiste gen dat de aandoening veroorzaakt nog niet ontdekt. Maar er wordt verder gezocht.

Uit onderzoeken uitgevoerd aan het James A. Baker Instituut in Ithaca, New York, blijkt dat de rode wolf met PRA geen mutatie heeft t.h.v. de PDE6B unit, zoals wel het geval is bij de Ierse Setter, in verband met de rod-cone dysplasia 1 (rcd1).

Omdat er bij de Saarloos wolfhond zo een grote verscheidenheid is in leeftijd van optreden van PRA, is het misschien mogelijk dat er meer dan één vorm van gPRA bij hen voorkomt.

De jongste leeftijd waarop momenteel gPRA bij dit ras werd vastgesteld is 2 jaar.

Op latere leeftijd zijn er ook gevallen gemeld: probleem hierbij is dat niet kan gezegd worden hoe lang het proces in de retina bij deze honden al bezig was.

De indruk bestaat dat de Saarloos wolfhond erg lang zijn/haar verlies aan gezichtsvermogen kan verdoezelen. Soms valt het pas op als de hond in een heel andere omgeving terechtkomt, bijvoorbeeld bij verandering van eigenaar. Dit maakt alles nog ingewikkelder.

Tevens benadrukt dit het belang van het regelmatig laten spiegelen van uw hond vanaf jonge leeftijd (vb. 18 maanden). Niet pas de eerste keer bij waarnemen van gezichtsproblemen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

/\

De juiste manier van overerving is bij de Saarloos wolfhond nog niet bekend. Verondersteld wordt, naar analogie met de momenteel reeds onderzochte rassen (met vroege en late vormen), dat gPRA waarschijnlijk ook eenvoudig autosomaal recessief overgeërfd wordt.

Bij vaststellen van gPRA, moet je niet meer met de ouders van de aangetaste hond verder fokken omdat ze beide zeker drager zijn. Omdat het aangetaste dier zelf 2 copies heeft van het defecte gen zullen zijn of haar afstammelingen altijd drager zijn.

Wat betreft de nestgenoten van de aangetaste hond: deze kunnen volledig vrij zijn, of drager zijn, of dezelfde aandoening aan het netvlies hebben.

Geregeld spiegelen van de broers en zussen wordt zeker aangeraden.

Tot op heden bestaat er nog geen behandeling om het proces van atrofie van het netvlies te stoppen.